Identiteit: niet alleen wie of wat ik ben


The QuillNoot: dit verhaal is in verkorte vorm ingediend voor de schrijfwedstrijd van Mijn Wereldverhaal surf na het lezen hierheen om het daar te ‘liken’ svp (als je het ook echt leuk vindt)

Het was zes en een half jaar geleden op St. Eustatius, een eilandje in de Caribische Zee, en onderdeel van de Nederlandse Antillen. Na gesettled te zijn wilde ik ook wel eens sporten en ik hoorde dat er gevoetbald werd. Door een vergissing in het uur kwam ik op het enige op een voetbalveld lijkende speelveld niet de oudere jeugd tegen maar lokale tieners. Ik keek vanaf de verweerde tribune toe hoe ze in een kluitje achter de bal holden. Een oudere man die de trainer leek kwam op mij afgelopen net toen ik aanstalte maakte om weg te gaan. ‘kun jij voetballen?’ vroeg de coach mij. ‘Redelijk’ was mij  antwoord. We maakten kennis en raakten aan de praat over het Mooie Spel. De uitkomst was dat ik de volgende trainingen mee zou helpen.

 De eerste weken van mijn drie maanden durende stage zaten er op en ik merkte dat ik genoeg tijd had om mee te helpen. Een aantal dagen later was ik ongeveer op tijd en hoorde de jongens er in spoken words op los rijmen in het Nederlands. Eén van hen deed wel heel stoer richting een meisje. Toen ik zijn laatste zin afmaakte en de grap  terugkaatste  keek  hij  me  verbouwereerd aan, zijn vrienden lachten. ‘Waar kom jij vandaan?’  Het klonk meer dwingend dan vragend. ‘Uit Nederland, hoezo?’ ‘Je ziet er niet uit als een Nederlander’ was het simpele antwoord. En inderdaad, een waarheid als een koe. Na het fluitje van de coach  gingen we voetballen, maar het bleef hangen, ‘wat ben ik? Wie ben ik en waar kom ik vandaan?’

 Aan het strand, uitkijkend over de Caribische Zee, dacht ik na over die vraag. Ik heb de Nederlandse nationaliteit, ben in Nederland geboren en opgegroeid. maar maakt mij dat dan een Nederlander? Is dat wie ik ben? Bepaald mijn nederlandse voornaam mijn identiteit soms? Ik ging verder graven, Mijn voorouders zijn Aramees, ik spreek de Aramese taal en voelde me tegelijk ook Aramees. Het is dan ook mijn aramese doopnaam die ook van een kerkelijke identiteit getuigd. En verder is mijn achternaam turks, afkomstig uit het land van mijn ouders. Ik heb weinig tit niets met turkije, maar kan mensen het ook niet kwalijk nemen als ze mij turks noemen. de zon ging al bijna onder, ik moest nog brood halen bij ‘Fat’ de enige bakker op het eiland met een steenoven, en daarna bij de barbecue man langs gaan, die de heerlijkste ribbetjes op de planeet vanuit zijn voortuin verkocht.

 Op een dag, weet niet eens meer welke, speelden we een wedstrijd tussen de ‘internationals’ die er stage liepen, werkten of studeerden en de locals, inwoners van het eiland. Velen van hen kwamen voor de vakantie terug vanuit sint maarten, aruba of nederland, waar ze naar school gingen. Het was de inleiding van vele feestelijke dagen. Eigenlijk zouden we tegen een team uit st kitts, een nabijgelegen eiland, spelen. Maar door de hoge golven konden ze niet komen. Nadat we de koeien en geitem van het veld verjaagd hadden en een kleine honderd toeschouwers zich in de brandende zon verzameld hadden ging de wedstrijd van start. Doordat ik in de laatste minuten een penalty tegen hield wonnen we de wedstrijd. maar dat deed  er  niet toe. Want al tijdens de wedstrijd werd duidelijk waar het werkelijk om ging: barbecue, drinken, samen komen en gezelligheid. Je kleur maakte op dat moment niemand wat uit.

 Tijdens mijn studie wilde ik graag naar het buitenland, nadat mogelijke opdrachten in budapest en istanbul niet doorgingen leek mijn moeder er gerust op dat ik in nederland zou blijven. Toen ik na een gesprek met mijn begeleider thuis kwam en mijn moeder vroeg hoe het gegaan was antwoorde ik heel droog, ‘ik ga naar de antillen’. Toen dit bezonken was zag ik de twijfels op haar gezicht, ‘moet je dat wel doen.?’ de thee was al op en we zaten nog aan de keukentafel te praten toen mijn vader thuis kwam van werk. ‘hoe ging het?’ vroeg hij. ‘ik ga naar de antillen’ zei ik weer. ‘aloho a’moch’ (God zij met je) was zijn antwoord. En dat gaf voor mijn moeder ook de laatte berusting. En ik ben blij dat ik dat heb mogen ervaren, drie maanden lang, 7000 Km van je veilige huis en sporadisch hulp van je begeleiders en verder niemand om op terug te vallen.

Op St. Eustatius heb ik dan ook veel over mijzelf geleerd. Ik weet hoe het is om je aan te passen zonder je eigen identiteit te hoeven verliezen. Dit lukte me alleen omdat ik reflecteerde op mijn eigen identiteit en me leerde te verplaatsen in die van een ander. Het maakt dan niet uit dat je net als een oud testamentische zwervende arameeër jezelf over de aardbol begeeft, het gaat er om dat we elkaar niet beoordelen of zelfs veroordelen omwille van een paspoort, taal of huidskleur. Wat nog belangrijker is dan wie of wat je bent, is het belangrijker om te weten hoe je bent en waar je naar toe wil. Hoe klein St Eustatius mag zijn, de mensen hebben een groots hart en deden mij beseffen dat er altijd tijd is om voor een ander vrij te maken, om te helpen maar ook puur voor de gezelligheid. In het afrondende gesprek met mijn begeleidster daar kreeg ik een groots compliment dat mijn stelling onderstreept: ‘jij bent Antilliaan!’ De stageopdracht deed er even niet meer toe voor mij, ik was trots op een stukje nieuwe identiteit die ik deelde met anderen op dat kleine eilandje in de Cariben.

Ga naar de wedstrijdpagina op Mijn Wereldverhaal om het daar te liken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: